Samenvatting examen Nederlands 6de middelbaar juni

Dit is een samenvatting van het vak Nederlands voor het examen van juni voor het 6de middelbaar. De leerstof is gebasseerd op het boek “Frappant”.

In deze kadertjes zal je belangrijke begrippen en definities vinden

Disclaimer: dit is slechts een samenvatting, hoewel ik probeer om deze zo volledig mogelijk te maken adviseer ik ook zeker de cursus raad te plegen.

15. De column

15.1 De column

Eigenschappen van de column: * Kort en hoort vaak thuis in een vaste rubriek in een krant of tijdschrift * Gaat over herkenbare vaak actuele onderwerpen uiit de samenleving en uit het persoonlijk leven van de schrijver * Bevat de persoonlijke mening van de schrijver en wordt meestal in de “ik”-vorm geschreven * Wil de lezer overtuigen en doen nadenken maar ook amuseren * Maakt veel gebruik van humoristische ondertonen en overdrijvingen

15.2 Het hoofdartikel

De column heeft als tegenhanger het “hoofdartikel” (ook wel het edotriaal genoemd)

Dit heeft als eigenschappen: * Heeft als doel de lezer informeren, doen nadenken * Het taalgebruik is zakelijk, wordt meestal in de wij-vorm geschreven (mening van de krant) * Het onderwerp gaat over iets actueel of over maatschappelijke tendensen

16. Hier spreekt men Nederlands

16.1 Afrikaans

16.1.1 Afkomstig van het zeeuws?

Het Afrikaans stamt niet af van het Zeeuws: * Voornaamwoorden: hulder, wulder, julders * Geen typische zeeuwse klankverschillen

16.1.2 Afkomstig van het Hollands:

Ja, want: * Voornaamworden: julle, hulle * Zelfstandige naamwoorden: seun (betekent zoon), deur (betekent door) * Verkleinwoorden: -tjie

Het is niet vreemd dat er Hollandse invloeden zijn in het Afrikaans, de eerst kolanisatoren waren immers Hollanders.

16.1.3 Invloed van andere talen

Ook andere talen hebben een invloed gehad op het Afrikaans:

16.1.4 Tweedetaalverwerving en oorzaken van vreemde invloeden in het Afrikaans

Vreemdetaalverwerving = het leren van een vreemde taal in eigen omgeving

Tweedetaalverwerving = leren van een vreemde, tweede zaal in de omgeving van waar ze gesproken wordt

Bij tweedetaalverwerving treed er vaak interferentie op.

Interferentie = wanneer een taalgebruiker elementen uit zijn eigen moedertaal gaat toepassen op de vreemde taal.

Door de interferentie kunnen er pidgintalen opkomen. Als deze taal de moedertaal van iemand wordt dan spreken van een creolen taal.

16.1.5 Grammaticale verschillen van het Afrikaans

Het Afrikaans is verwant met het Nederlands maar het toont een aantal typische kenmerken:

16.2 Het Surinaams

Het Standaardnederlands duidt de variant van het Nederlands aan dat als norm wordt gehanteerd. De norm is gebaseerd op wat sprekers met taalgezag correct vinden: bv. schrijvers, journalisten en politici.

16.2.1 Geschiedenis van het Nederlands in Suriname

Creolentalen ontstaan door de vermenging van talen die vaak niet tot dezelfde taalfamilie behoren. Het eerste stadium daarvan is de pidgin. Wanneer mensen deze taal als moedertaal hanteren noemen we deze taal een creolentaal. Creolentalen volgen het convergentiemodel: verschillende talen convergeren tot één. Het Indo-Europees is een voorbeeld van een convergentiemodel, verschillende talen zijn ontstaan uit één oer-taal.

18. Eten of gegeten worden

18.1 Historische achtergrond Groenten uit Balen

18.2 Toneelstuk: Groeten uit Balen

18.2.1 De personages

18.2.2 De Velpondiefstal

18.2.3 Realisme en naturalisme

Realisme probeert het leven te tonen zoals het was. Het naturalisme voegt daar aan toe hoe dat allemaal zo gekomen is. Hoe de mens een speelbal is van het noodlot en hoe het gedetermineerd is door gebeurtenissen van het ogenblik, zijn milieu en erfelijke belastingen. De mens is veroordeeld tot fatalisme, het moet zijn noodlot ondergaan.

Groenten uit Balen tussen realisme en naturlisme.

Redenen:

18.3 Gezin van Paemel

18.3.1 Personages

18.3.2 Gezin van Paemel tegenover een historische achtergrond

In de 19de eeuw waren de sociale omstandigheden zeer slecht.

18.3.3 Stroming: naturlisme

18.3.4 Naturalistische kenmerken tegenover een historische achtergrond:

18.3.5 Dialecten

18.4 Synthese: vergelijking gezin van Paemel en Groenten uit Balen

Vergelijking op vlak van:

Politieke strijd:

Generatieconflict:

Rol van de vrouw:

Theater van de vierde wand: decors worden zodanig nagebouwd en de situatie wordt zodanig realistisch weergeven dat het lijkt dat het publiek en het toneel wordt gescheiden door een wand, dat het twee apparate werelden zijn maar dat de toeschouwers even door die vierde wand kunnen kijken.

20. Schat, ik heb hoofdpijn: over taalgebruik en context

20.1 Verborgen boodschappen

Deiktische woorden = komt van het Griekse woord “dexis” wat aanduiding betekent. Deiktische woorden zijn verwijzende woorden. Er bestaan een aantal types van dekitische woorden:

Deiktische woorden hebben enkel een betekenis in een context. Ze kunnen verwijzen naar iets dat al in de tekst geweest is of nog moet komen.

Wanneer een persoon met iemand communiceert gaat hij van bepaalde dingen uit. Hij veronderstelt dingen of maakt presupposities.

In het taalgebruik kan je ook dingen zeggen die dingen impliceren. Dit noemen we de implicatuur. Bv. Een reactie over een samenvatting: “Deze passage van de samenvatting is me niet echt helemaal duidelijk”. Hiermee bedoeld de zender niet alleen dat hij de passage niet goed begrijpt maar ook om de passage te verduidelijken.

20.2 Grondregels van het beleefde taalgebruik

Om het communiceren zo efficient en beleefd mogelijk te houden zijn er een aantal grondregels of maximes.

20.3 Taalgepastheid: denotatie en connotatie

Tijdens communiceren moet je ook gebruik maken van het juiste register. Woorden hebben niet alleen maar een denotatie (woordenboekbetekenis) maar ook een gevoelswaarde (connotatie). Eufinismen en dysfemismen houden hier ook verband mee.

20.4 Modaliteit

Modaliteit is de houding van de spreker tegenover de werkelijkheid. De spreker kan zijn zekerheid, de waarschijnlijkheid, de wenselijkheid, de onmogelijkheid… uitdrukken.

Manier van modaliteit uit te drukken:

21. Goed gewonnen is halfbegonnen: Over het essay

21.1 Michel de Montagne

21.1.1 Wie was hij?

21.1.2 Waarover schreef hij?

Schreef over een breed gamma aan onderwerpen:

21.2.2 Hoe schreef hij?

21.2.3 Hoe benaderde hij filosofie?

24. Laat horen wie je bent: over sociale en stilitsiche taalvariatie

24.1 Taalvariatie

Een persoonlijk taalgebruik of idiolect is een taalgebruik dat voor een bepaald persoon typerend is.

24.2 Verschillen in taalgebruik tussen mannen en vrouwen

Mannen Vrouwen
Algemene communicatie Instrumentaal en erg informatief Socio-emotioneel en meta-communicatie
Sociale indruk Aggressievere, directere indruk Hoge sociale status
Syntactische verschillen Gebruiken ellipsen, beknopte zinnen meer modale onzekere constructie
Lexicale verschillen Onnodige moeilijke woorden en krachttermen veel versterkingswoorden en verkleinwoorden
Gesprekshouding dominant en sturende houding willen een prettig en harmonisch gesprek

24.3 Sociolinguistiek

Een etnolect is een taalvariant die door een specifieke etnische groep wordt gesproken

Beperkte en uitgebreide code. Tussen sociale klassen kan er een verschil in taalgebruik optreden. In een lagere sociale klasse heeft men een beperkte code. Vaak is er dan sprake van een impliciet taalgebruik die alleen door de groep begrepen kan worden. De hogere klasse hebben een universeler taalgebruik en een uitgebreidere code. (Bernstein)

25. Waar liggen de grenzen: over multiculteralisme, racisme en tolerantie

25.1 Woordenschat:

Twee stromingen in de filosofie van het multiculteralisme:

25.2 In ongenade

25.2.1 Over het boek

25.2.2 Fragment

25.2.3 Intepretatie fragment

25.2.4 Begrip: collectieve schuld

De collectieve schuld is de schuld die iemand draagt door de daden die de vertegenwoordigers van dat collectief in het verleden hebben gepleegd. Zo heeft bijvoorbeeld de Duitse bevolking een collectieve schuld voor wat er gebeurt is tijdens de tweede wereldoorlog en de blanken een collectieve schuld voor wat er gebeurt is tijdens de apartheid.

25.3 Het woord “allochtoon”

Het woord “allochtoon” stamt af van het Grieks wat ongeveer “van andere bodem” betekende.

Het woord wel vaak fout of niet volledig juist gebruikt. Na een tijd werd het enkel nog voor bv. Marrokanen gebruikt en niet voor Nederlands die in België kwamen wonen. Daardoor kreeg het een negatieve connotatie en werkte het demigrerend voor sommige bevolkingsgroepen.

27. Erst das Fressen und dann die Moral: Over Bertolt Brecht en het episch theater

27.1 Inhoud

27.2 Soort toneelstuk

Volgens inleiding van het toneelstuk zelf:

27.3 Allegorische personages

27.4 Episch theater en Verfremdungseffekt

27.4.1 Oorsprong episch theater en vervreemdingstechnieken

27.4.2. Vervreemdingstechnieken

Dit alles was om de toeschouwers steeds te laten beseffen dat ze naar een toneel aan het kijken zijn.

27.5. Betekenis titel

Titel = eerst het eten en dan de moraal.

Hiermee duidt Brecht aan dat men eerst aan de levensnoden moet voorzien voordat men maar kan beginnen te denken over moraal en ethiek en dergelijke.

28. Heb je nou je zin: over syntaxis

28.1 Zinssemantiek

Zinssemantiek is de betekenis van de hele zin. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een hele zin volledig grammiticaal juist is en dat alle individuele woorden van de zin een betekenis hebben, maar daarvoor hoeft de zin nog een betekenis te hebben.

bv. Kleurloze groene badkamers slapen triest.

28.2 Syntaxis

Syntaxis komt van het Grieks en betekent zoveel als samenplaatsing. In zinnen is de volgorde belangrijk om een correcte grammiticale zin te vormen.

Woordgroepen of constituenten zijn groepen van woorden die grammiticaal bij elkaar horen

De meest voorkomende woordvolgorde is SVO (Subject Verb Object). In het Nederlands zijn er nog twee andere mogelijkheiden SVO en SOV.

29. Taal in je hoofd: over psycholinguistiek

29.1 Taalverwerving

29.1.1 Perelinguale fase (0-1 jaar)

29.1.2 De vroeglinguale fase (1 tot 2,5 jaar)

29.1.2.1 De eenwoordzin
29.1.2.2 De tweewoord-en meerdwoordzin

29.1.3 De diffentatiefase

29.2 Fouten tijdens de taalverwerving

29.3 Autisme en het begrijpen van taal

29.4 Het gebied van Wernicke en Broca

29.5 Dyslecten

41. Op een voetstuk: over postmoderne auteurs

41.1 Kernmerken van postmoderne romans

Magisch realisme:

41.2 Kenmerken toegepast op Hardboiled Wonderland en het einde van de wereld

42. Moeders en zonen: over hedendaags klassiek toneel

42.1 Verhaal Mamma Medea

42.2 Ontstaan van de Griekse tragedie

De drie grote tragedie schrijvers: * Aechyclus, Sophocles en Euripides

Fasen in een Griekse tragedie:

Personages:

42.3 Oedipus

42.3.1 Verhaal

42.3.2 Toegepast op de fasen van de Griekse tragedie

49. Op het randje: over stand-up comedy

Technieken om humor te creeëren:

Benadering van het onderwerp: