Samenvatting economie juni 6de middelbaar 2015-2016

Bedrijfswetenschappen thema 4: Ondernemen is toegevoegde waarde verdelen

4.1 Verdeling van toegevoegde waarde

Toegevoegde waarde = bedrijfsopbrengsten - intermediar verbruik
Intermediar vebruik = grondstoffen+handelsgoederen+hulpsstoffen+divervse goederen en diensten
Loonspanning = is het verschil tussen het hoogste en het laagste loon

Loonspanning in België:

4.2 Continuïteit

4.2.1 Wat is continuïteit

Continuïteit betekent er mogen zijn.

Concreet:

4.2.2 Faillisementwetgeving in België

Een bedrijf kan failliet gaan als het niet meer kan voldoen aan zijn financiële verplichtingen.

Hier is dus een cashflow belangrijk en niet de boekhoudkundige winst/verlies.

Het kan allemaal starten wanneer één schuldeiser naar de rechtbank stapt omdat hij niet betaald wordt. De rechtbank kan dan een faillisement uitspreken.

Het kan ook:

WCO:

Kritiek op WCO:

Insolventiewetgeving:

4.3 Van shareholders naar stakeholdersmodel

Evolutie naar een stakeholders model:

4.4. Duurzaam ondernemen

Drie P’s:

Bedrijven moeten dus aandacht hebben voor de planeet en de mensen die erop leven en tegelijk ook het winstoogmerk niet het oog verliezen.

Er zijn zelfs bedrijven die een heel bussinessmodel baseren op duurzaam ondernemen.

Problemen hiermee:

4.5 Rol van de overheid

4.5.1 Bescherming werknemers

De overheid heeft enkele wetten gemaakt om de werknemers te beschermen. Zo bestaan er antidiscriminatie wetten en minimumlonen.

Voor zichtzelf handeert de overheid quota, hoeveel vrouwen, allochtonen en mindervaliden er minstens in de overheid moeten werken.

4.5.2 Bescherming milieu

Vlarem: Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning.

Hanteert het principe van BBT: best beschikbare technieken. Concreet moeten bedrijven dus de best beschikbare technieken gebruiken om zo milieuvriendelijk mogelijk te zijn.

4.5.3 Bescherming van de consument

Snel en efficieënt alle consumenten kunnen waarschuwen van onveilige producten die op de markt komen.

Anderzijds is er ook een zeer uitgebreide wetgeving in België:

4.5.4 Corporate governance

Corporate governance of gewoonweg deugdelijk bestuur zijn een reeks van “afspraken” die deugdelijk bestuur mogelijk moeten maken.

Zo heeft men het bijvoorbeeld over de samenstelling van de Raad van Bestuur, vergoedingen voor het management, transparantie en communicatie…

Thema 5: Ondernemen is prestaties controleren

5.1 Van financiële tot strategische prestatiemeting

5.2 De jaarrekening

5.2.1 De balans

A. Activa
B. Passiva

5.2.2 De resultatenrekening

Uitbreiding op de balans. Geeft overzicht over alle opbrengsten en kosten.

Delen: * Bedrijfsresultaat = bedrijfskosten - bedrijfstopbrengsten * Alle opbrengsten en kosten die te maken hebben met de normale uitvoering van het bedrijf * Financieël resultaat = financiële kosten - financiële opbrengsten * Uitzonderlijke resultaat = uitzonderlijke kosten - uitzonderlijke opbrengsten * Resultaat gewone bedrijfsuitvoering = bedrijfsresultaat+financieël resultaat * Resultaat voor belastingen = resultaat gewone bedrijfsuitvoering + uitzonderlijk resultaat * Hierop worden de venootschapsbelastingen berekend

5.2.3 De toelichting

Het laatste deel in de jaarrekening is de toelichting. Het geeft meer uitleg over de balans en de resultatenrekenen.

5.3 Analyse van de jaarrekening

Een onderneming kan niet financiële doelstellingen gemakkelijk verkondigen, maar het blijft ook belangrijk dat ze financiëel gezond zijn. Men gaat jaarrekeningen onderzoeken en ratio’s of kerngetallen opstellen en deze vergelijken met eerdere jaarrekeningen (history analyse) of vergelijken met ondernemingen uit dezelfde sector (benchmarking).

Belangrijk is ook dat ondernemingen aan “window dressing” kunnen doen, ze kunnen de balans en resultaatrekening er beter uit laten zien.

5.3.2 Rentabiliteit

5.3.3 Liquiditeit

Een bedrijf is liquide wanneer het op korte termijn voldoende middelen heeft om al haar kortlopende schulden af te betalen.

Een indicator hiervan is het netto bedrijfskapitaal:

NBK = courante activa - vreemd vermogen op korte termijn = (vlottende activa - vorderingen op meer dan één jaar) - (schulden op ten hoogste één jaar+voorzieningen en uitgestelde belastingen+vreemd vermogen op lange termijn)

De streefwaarde is dat dit kapitaal een positief getal is. De korte termijn schulden kunnen dan met courante activa betaald worden.

Maar dit getal is een absoluut en kan met niets vergeleken worden.

Daarvoor hebben we de volgende ratio’s:

Current ratio = courante activa / VVKT Quick ratio = (courante activa - voorraden) / VVKT

De streefwaarde van deze ratio’s is dat ze groter zijn dan 1 maar maximaal 1,5 zijn. Als dit te groot is dan betekent dit dat het bedrijf te veel courante activa heeft die ontbenut zijn.

5.3.4 Solvabiliteit

Kunnen de schulden van een bedrijf terugbetaald worden?

Schuldratio = Vreemd vermogen / Totaal vermogen.

Graad van financieële onafhankelijkheid = eigen vermogen / totaal vermogen

De graad zegt in hoeverre we de onderneming financieël onafhankelijk is. Het is altijd goed voor een onderneming om een buffer op te bouwen in eigen vermogen.

5.3.5 Activiteit

Hier gaan we bekijken hoe snel bedrijven hun producten verkopen, hoe snel hun voorraad wordt vernieuwd, hoeveel betalingskrediet te geven en krijgen…

Omloopsnelheid van de voorraad = bedrijfskosten / gemiddelde voorraad

De omlooptijd is te vinden door de 365 te delen door de omloopsnelheid.

Omloopsnelheid klantenkrediet = (verkopen + btw verkopen)/gemiddeld klantenkrediet

Het gemiddeld klantenkrediet kan gevonden worden door het gemiddelde te nemen van de handelsvorderingen van het huidige en het vorige boekjaar.

Omloopsnelheid leverancierskrediet = (aankopen grondstoffen of hulpstofffen+aankopen diensten en diverse goederen+btw op aankopen)/(gemiddelde handelsschulden)

5.4 Balanced scorecard

Met de introductie van het stakeholdersmodel moeten ondernemingen ook met andere factoren rekening houden buiten het financieël. Dit zorgde voor de introductie van de balanced scorecard.

5.6 Het budget als controle-instrument

5.6.1 Verschillenanalyse

Belangrijk in een onderneming is de budget-controle. Hebben we meer uitgegeven dan we hebben gebudgeteerd of juist minder?

Hiervoor kunnen we een verschillen analyse doen.

Thema 8: Internationale economische betrekkingen

8.1 De betalingsbalans

De betalingsbalans geeft een overzicht van alle transacties die een land heeft met andere landen. Alles wordt dubbel geboekt, een uitvoerstransactie wordt geboekt als uitvoer van goederen en ontvangsten van buitenlandse valuta

Betalingsbalans bestaat uit de volgende onderdelen:

8.2 Het belang van internationale handel

8.2.1 Meten van belang van internationale handel

Ratio’s om belang van internationale handel te berekenen:

Invoerratio = invoer/bbp Uitvoerratio = uitvoer/bbp

Het probleem met deze ratio’s is dat ze het niet over hetzelfde hebben. Het probleem is dus dat invoer+uitvoer niet gelijk is aan het BBP, want dingen die uitgevoerd zijn kunnen ook eerst ingevoerd zijn.

Hiervoor hebben we de openheidscoëffient: (uitvoer/(bbp+invoer))*100

8.3 Verklaringen van het ontstaan van internationale handel

8.3.1 Absolute kostentheorie

Voorbeeld:

| België | Nederlands —-|—–|—— Arbeidsuren beschikbaar | 100 | 100 Arbeidsuren per ton graan | 10 | 5 | Arbeidsuren per toon boter | 5 | 20 |

Zoals te zien is in de tabel heeft Nederland een absoluut kostenvoordeel voor graan en België voor boter. > Absoluut kostenvoordeel = het land dat een bepaald product het goedkoopst kan produceren heeft een absoluut kostenvoordeel

Als we gaan vergelijken wat de productie is zonder handel en met internationale handel (wil zeggen dat elk land zich specialiseert in hetgeen waarin hij een absoluut kosten voordeel heeft), krijgen we dit:

Het totaal is beter en de productie van elk afzonderlijk is beter, dus internationale handel en specialisatie is wel degelijk goed.

Indien men niet aan internationale handel gaat doen moet men de arbeidsuren verdelen onder de producten. Hierdoor ontstaat er een oppurtiniteitskost: voor één product moet één of meerdere eenheden van het andere opgeofferd worden.

8.3.3 Comperatieve kostentheorie

Nieuwe tabel:

| België | Nederland —-|—–|—— Arbeidsuren beschikbaar | 100 | 100 Arbeidsuren per ton graan | 10 | 5 Arbeidsuren per toon boter | 5 | 2

Uit de tabel blijkt dat Nederland nu voor beide producten een absoluut kosten voordele heeft. Het heeft dus geen belang bij internationale handel en specialisatie. We kunnen aan de hand van de oppurtiniteitskost wel bekijken welk land als we de producten met elkaar gaan vergelijken de kleinste oppurtiniteitskost heeft.

Nu blijkt dat België een comperatief kostenvoordeel heeft voor graan want het moet slechts 2 boter produceren voor 1 graan tegenover de 2,5 boter van Nederland. Dus België zal zich specialiseren in graan en Nederland in boter.

De ruilvoeten van beide landen gaan tussen hun oppurtiniteitskosten moeten liggen.

8.3.4 Het onntstaan van comparatieve kostenvoordelen

Oorzaken van het ontstaan van comparatieve kostenvoordelen:

8.3.5 Beperking van de comparatieve kostentheorie

Enkele beperkingen/kritieken:

8.4 Handelsbelemmeringen

8.4.1 Voordelen van internationale handel

Het is dus nodig om als economie flexibel en dynamisch te zijn.

Industrieel beleid: wat is de rol van de overheid in de economie?

8.4.2 Argumenten voor protectionisme

8.4.3 Vormen van handelsbelemmeringen

A. Invoerrechten
B. Quota

Men kan ook een bepaald maximum opleggen van hoeveel producten er ingevoerd mogen worden. Hier is er wel geen fiscaal effect omdat de overheid niets meer krijgt.

Bij een quotum profiteert de consument niet van een prijsdaling, buitenlandse producten kunnen immers geen druk zetten op de binnenlandse.

C. Exportsubsidies

De overheid kan ook subsidies geven aan bedrijven om producten te exporteren. Zo wordt de positie van het bedrijf op de internationale markt versterkt, het kan immers haar prijzen verlagen door de subsidie.

D. Non-tarifaire handelsbelemmeringen

Buiten quota en invoerrechten zijn er nog andere middelen om de handel te belemmeren. Zo kan het zijn dat ingevoerde goederen ineens moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden zoals milieuvoorschriften, kwaliteitseisen en bepaalde administratieve procedures moeten ondergaan die zeer lang duren.

Hiermee probeert men de import te ontmoedigen. Strikt genomen is dit volgens de internationale afspraken geen protectionisme.

8.4.4 Afbouw van handelsbelemmeringen

A. Multilaterale onderhandelingen
B. Regionale handelszones
C. EMU en EU
D. Bilaterale onderhandelingen (tussen twee partijen): TTIP

Onderhandelingen tussen VS en EU om de internationale handel tussen beide sneller te laten verlopen (door bijvoorbeeld kwaliteitsnormen op elkaar af te stemmen).

8.5 De prijs van internationale transacties

8.5.1 De wisselkoers

Het verhaal van goedkopere munt dus betere (goedkopere) export is niet altijd waar:

8.5.2 Stabiele wisselkoersen

Landen kunnen kiezen om de koers van hun munt stabiel te houden. Zwitserland heeft dat lang gedaan met haar Frank maar is daar nu mee gestopt.

Voordelen: * Brengt zekerheid * Speculatie op de markt tegen de munt wordt ontmoedigd zo kan hun wisselkoers niet ernstig verstoord worden.

8.5.3 Vlottende wisselkoersen

Bij vlottende wisselkoersen komt de overheid niet meer tusssen het laat het mechanisme van vraag en aanbod aan het werk.

Meeste landen kiezen voor een systeem van geleid vlotten, de monetaire overheid komt dus sporadisch tussenbeide als de wisselkoers te sterk stijgt of daalt.

Thema 9: Economische fluctuaties

9.1 De conjunctuur

9.1.1 Economische fluctuaties

9.1.2 Meten van conjunctuur

9.1.3 Conjunctuurfasen

We kunnen de conjunctuurfasen op twee manieren voorstellen:

In de praktijk wordt deze defenitie van recessie niet toegepast, men gaat van recessie spreken als het bbp in twee opeenvolgende kwarten krimpt. Wanneer het langer krimpt spreekt men van een depressie.

9.2 Het AV-IA model

9.2.1 De aggregate vraag

A. De bestedingen

De aggregate vraag bestaat uit = C + I + G+ NX

Betekende:

De bestedingen zijn afhankelijk aan het nationaal inkomen. Ruw gezien kunnen we dit nationaal inkomen gelijkstellen aan het BBP.

Dan worden de componenten bijvoorbeeld:

Enkele opmerkingen:

Een economie is in evenwicht wanneer de bestedingen gelijk zijn aan het BBP. Met andere woorden de eerste bissectrice (Y=bbp). Door het snijpunt te zoeken met de eerder vermelde bestedingscurve kunnen we het BBP vinden in een evenwichtssituatie;

We kunnen door dit snijpunt ook nog een verticale lijn tekenen van het potentiële BBP. Het potentiële BBP verloopt verticaal omdat het niet afhankelijk is van de bestedingen.

B. De rol van de intrestvoet
C. De aggregate vraag

In de micro economie hebben we de prijs van een product verbonden aan de vraag en het aanbod ervan. Op macro economisch vlak gaat dit dan over het BBP en de inflatie. Hoe hoger de inflatie hoe lager het BBP, hoe lager de inflatie hoe hoger het BBP.

De overheid kan dit bijsturen door de rente te verhogen of te verlagen:

Het verband tussen de inflatie en het BBP noemen we de aggregate vraag.

9.2.2 De AV en IA-lijn

We kennen de AV lijn van daarnet al. De IA lijn betekent de Inflation Adjustment lijn of de Inflatie Aanpassingslijn en dat geeft de inflatie in een economie op een bepaald moment weer.

Op de x-as plaatsen we dan de procentuele afwijking van het potentiële BBP en oop de y-as de inflatie in procent. Op een bepaald moment stellen we inflatie vast van 2,5% met een procentuele afwijking van 0%. Dit punt noemen we het evenwicht.

Wanneer het snijpunt van de AV en de IA lijn links van dat evenwicht ligt (het potentiële BBP is dus niet volledig benut) dan zitten we met laagconjunctuur, als het rechts van het evenwicht ligt dat zitten we in hoogconjunctuur.

9.3 Wijzigingen in het AV-IA model

9.3.1 Effect van een vraagschok

Als de overheid ineens beslist om haar bestedingen te laten toenemen zal de AV-curve naar rechts verschuiven. We bevinden ons dan in hoogconjunctuur. Door de verhoogde bestedingen gaat ook de inflatie toenemen, er wordt immers meer geconsumeerd door meer werkelijkheid.

De centrale bank gaat de intrest ook verhogen, zodat de C, NX en I gaan dalen, dan krijgen we een verschuiving LANGS de AV-curve. We komen terug uit bij een nieuw evenwicht weliswaar met een hoog inflatie niveau. De , NX en I bestedingen zijn vervangen door overheidsbestedingen.

9.3.2 Effect van een prijsschok

De inflatie kan door een externe factor stijgen. Bijvoorbeeld het stijgen van de olieprijzen. Als reactie op de stijgende inflatie zal de centrale bank de intrestvoeten laten stijgen. De bestedingen nemen af als reactie op de hoge intrestvoeten. We verschuiven langs de AV curve. Daarna bereiken we een nieuw evenwicht weliswaar in links van het potentiële BBP, we zitten dus in laagconjunctuur.

Door de afgenomen bestedingen zal de inflatie terug dalen. De centrale bank beslist om de rente voeten terug te laten afnemen en de bestedingen nemen terug toe. Uiteindelijk komen we terug terrecht bij het oorspronkelijk punt met de oorspronkelijke inflatie. Dit proces kan een jarenlange recessie teweeg brengen.

9.4 Overheidsmaatreglen om de conjunctuur bij te sturen

9.4.1 Fiscale politiek

A. De overheidsbegroting
B. Fiscale politiek als instrument van conjunctuurpolitiek: de mogelijkheden en beperkingen

9.4.2 Monetaire politiek

A. Doelstellingen van de monetaire politiek van de ECB
B. Instrumenten van de monetaire politiek

In de praktijk gebeurt dit als volgt: